raderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of raderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: raderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: raderend
Past participle - Verleden deelwoord: geradeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikradeer
jijradeert
hijradeert
wijraderen
jullieraderen
zijraderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geradeerd
jijhebt geradeerd
hijheeft geradeerd
wijhebben geradeerd
julliehebben geradeerd
zijhebben geradeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikradeerde
jijradeerde
hijradeerde
wijradeerden
jullieradeerden
zijradeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geradeerd
jijhad geradeerd
hijhad geradeerd
wijhadden geradeerd
julliehadden geradeerd
zijhadden geradeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal raderen
jijzult raderen
hijzal raderen
wijzullen raderen
julliezullen raderen
zijzullen raderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geradeerd hebben
jijzult geradeerd hebben
hijzal geradeerd hebben
wijzullen geradeerd hebben
julliezullen geradeerd hebben
zijzullen geradeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou raderen
jijzou raderen
hijzou raderen
wijzouden raderen
julliezouden raderen
zijzouden raderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geradeerd hebben
jijzou geradeerd hebben
hijzou geradeerd hebben
wijzouden geradeerd hebben
julliezouden geradeerd hebben
zijzouden geradeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijradeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from German radieren. See: German, old spelling 'radieren'.

Additional Information