provoceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of provoceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: provoceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: provocerend
Past participle - Verleden deelwoord: geprovoceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprovoceer
jijprovoceert
hijprovoceert
wijprovoceren
jullieprovoceren
zijprovoceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprovoceerd
jijhebt geprovoceerd
hijheeft geprovoceerd
wijhebben geprovoceerd
julliehebben geprovoceerd
zijhebben geprovoceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprovoceerde
jijprovoceerde
hijprovoceerde
wijprovoceerden
jullieprovoceerden
zijprovoceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprovoceerd
jijhad geprovoceerd
hijhad geprovoceerd
wijhadden geprovoceerd
julliehadden geprovoceerd
zijhadden geprovoceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal provoceren
jijzult provoceren
hijzal provoceren
wijzullen provoceren
julliezullen provoceren
zijzullen provoceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprovoceerd hebben
jijzult geprovoceerd hebben
hijzal geprovoceerd hebben
wijzullen geprovoceerd hebben
julliezullen geprovoceerd hebben
zijzullen geprovoceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou provoceren
jijzou provoceren
hijzou provoceren
wijzouden provoceren
julliezouden provoceren
zijzouden provoceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprovoceerd hebben
jijzou geprovoceerd hebben
hijzou geprovoceerd hebben
wijzouden geprovoceerd hebben
julliezouden geprovoceerd hebben
zijzouden geprovoceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprovoceer

Translations

  • goad, to incite or provoke
  • tempt, to provoke
  • urge, to provoke
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Latin prōvocō. See: Latin 'prōvocō'.

    Additional Information