prostitueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of prostitueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: prostitueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: prostituerend
Past participle - Verleden deelwoord: geprostitueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprostitueer
jijprostitueert
hijprostitueert
wijprostitueren
jullieprostitueren
zijprostitueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprostitueerd
jijhebt geprostitueerd
hijheeft geprostitueerd
wijhebben geprostitueerd
julliehebben geprostitueerd
zijhebben geprostitueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprostitueerde
jijprostitueerde
hijprostitueerde
wijprostitueerden
jullieprostitueerden
zijprostitueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprostitueerd
jijhad geprostitueerd
hijhad geprostitueerd
wijhadden geprostitueerd
julliehadden geprostitueerd
zijhadden geprostitueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal prostitueren
jijzult prostitueren
hijzal prostitueren
wijzullen prostitueren
julliezullen prostitueren
zijzullen prostitueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprostitueerd hebben
jijzult geprostitueerd hebben
hijzal geprostitueerd hebben
wijzullen geprostitueerd hebben
julliezullen geprostitueerd hebben
zijzullen geprostitueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou prostitueren
jijzou prostitueren
hijzou prostitueren
wijzouden prostitueren
julliezouden prostitueren
zijzouden prostitueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprostitueerd hebben
jijzou geprostitueerd hebben
hijzou geprostitueerd hebben
wijzouden geprostitueerd hebben
julliezouden geprostitueerd hebben
zijzouden geprostitueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprostitueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French prostituer + -eren.

Additional Information