pronken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pronken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pronken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pronkend
Past participle - Verleden deelwoord: gepronkt

Cognates

See the 3 cognates of pronken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpronk
jijpronkt
hijpronkt
wijpronken
julliepronken
zijpronken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepronkt
jijhebt gepronkt
hijheeft gepronkt
wijhebben gepronkt
julliehebben gepronkt
zijhebben gepronkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpronkte
jijpronkte
hijpronkte
wijpronkten
julliepronkten
zijpronkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepronkt
jijhad gepronkt
hijhad gepronkt
wijhadden gepronkt
julliehadden gepronkt
zijhadden gepronkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pronken
jijzult pronken
hijzal pronken
wijzullen pronken
julliezullen pronken
zijzullen pronken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepronkt hebben
jijzult gepronkt hebben
hijzal gepronkt hebben
wijzullen gepronkt hebben
julliezullen gepronkt hebben
zijzullen gepronkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pronken
jijzou pronken
hijzou pronken
wijzouden pronken
julliezouden pronken
zijzouden pronken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepronkt hebben
jijzou gepronkt hebben
hijzou gepronkt hebben
wijzouden gepronkt hebben
julliezouden gepronkt hebben
zijzouden gepronkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpronk

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

paraderen
pralen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch pronken, perhaps ultimately related to Proto-Germanic *brahtaz, similar to pracht (“splendor”), Swedish prakt (“glory, pomp”) (loaned from Low German). See also German Prunk (“splendor”).

Verbs referencing "pronken"

English pronk, Swedish prunka.

Additional Information