presideren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of presideren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: presideren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: presiderend
Past participle - Verleden deelwoord: gepresideerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpresideer
jijpresideert
hijpresideert
wijpresideren
julliepresideren
zijpresideren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepresideerd
jijhebt gepresideerd
hijheeft gepresideerd
wijhebben gepresideerd
julliehebben gepresideerd
zijhebben gepresideerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpresideerde
jijpresideerde
hijpresideerde
wijpresideerden
julliepresideerden
zijpresideerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepresideerd
jijhad gepresideerd
hijhad gepresideerd
wijhadden gepresideerd
julliehadden gepresideerd
zijhadden gepresideerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal presideren
jijzult presideren
hijzal presideren
wijzullen presideren
julliezullen presideren
zijzullen presideren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepresideerd hebben
jijzult gepresideerd hebben
hijzal gepresideerd hebben
wijzullen gepresideerd hebben
julliezullen gepresideerd hebben
zijzullen gepresideerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou presideren
jijzou presideren
hijzou presideren
wijzouden presideren
julliezouden presideren
zijzouden presideren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepresideerd hebben
jijzou gepresideerd hebben
hijzou gepresideerd hebben
wijzouden gepresideerd hebben
julliezouden gepresideerd hebben
zijzouden gepresideerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpresideer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information