prepareren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of prepareren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: prepareren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: preparerend
Past participle - Verleden deelwoord: geprepareerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprepareer
jijprepareert
hijprepareert
wijprepareren
jullieprepareren
zijprepareren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprepareerd
jijhebt geprepareerd
hijheeft geprepareerd
wijhebben geprepareerd
julliehebben geprepareerd
zijhebben geprepareerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprepareerde
jijprepareerde
hijprepareerde
wijprepareerden
jullieprepareerden
zijprepareerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprepareerd
jijhad geprepareerd
hijhad geprepareerd
wijhadden geprepareerd
julliehadden geprepareerd
zijhadden geprepareerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal prepareren
jijzult prepareren
hijzal prepareren
wijzullen prepareren
julliezullen prepareren
zijzullen prepareren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprepareerd hebben
jijzult geprepareerd hebben
hijzal geprepareerd hebben
wijzullen geprepareerd hebben
julliezullen geprepareerd hebben
zijzullen geprepareerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou prepareren
jijzou prepareren
hijzou prepareren
wijzouden prepareren
julliezouden prepareren
zijzouden prepareren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprepareerd hebben
jijzou geprepareerd hebben
hijzou geprepareerd hebben
wijzouden geprepareerd hebben
julliezouden geprepareerd hebben
zijzouden geprepareerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprepareer

Translations

  • prepare, to make ready for a specific future purpose
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch prepareren, from Middle French préparer.

    Additional Information