predisponeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of predisponeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: predisponeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: predisponerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepredisponeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpredisponeer
jijpredisponeert
hijpredisponeert
wijpredisponeren
julliepredisponeren
zijpredisponeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepredisponeerd
jijhebt gepredisponeerd
hijheeft gepredisponeerd
wijhebben gepredisponeerd
julliehebben gepredisponeerd
zijhebben gepredisponeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpredisponeerde
jijpredisponeerde
hijpredisponeerde
wijpredisponeerden
julliepredisponeerden
zijpredisponeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepredisponeerd
jijhad gepredisponeerd
hijhad gepredisponeerd
wijhadden gepredisponeerd
julliehadden gepredisponeerd
zijhadden gepredisponeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal predisponeren
jijzult predisponeren
hijzal predisponeren
wijzullen predisponeren
julliezullen predisponeren
zijzullen predisponeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepredisponeerd hebben
jijzult gepredisponeerd hebben
hijzal gepredisponeerd hebben
wijzullen gepredisponeerd hebben
julliezullen gepredisponeerd hebben
zijzullen gepredisponeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou predisponeren
jijzou predisponeren
hijzou predisponeren
wijzouden predisponeren
julliezouden predisponeren
zijzouden predisponeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepredisponeerd hebben
jijzou gepredisponeerd hebben
hijzou gepredisponeerd hebben
wijzouden gepredisponeerd hebben
julliezouden gepredisponeerd hebben
zijzouden gepredisponeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpredisponeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information