pralen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pralen

The word "pralen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pralen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pralend
Past participle - Verleden deelwoord: gepraald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpraal
jijpraalt
hijpraalt
wijpralen
julliepralen
zijpralen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepraald
jijhebt gepraald
hijheeft gepraald
wijhebben gepraald
julliehebben gepraald
zijhebben gepraald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpraalde
jijpraalde
hijpraalde
wijpraalden
julliepraalden
zijpraalden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepraald
jijhad gepraald
hijhad gepraald
wijhadden gepraald
julliehadden gepraald
zijhadden gepraald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pralen
jijzult pralen
hijzal pralen
wijzullen pralen
julliezullen pralen
zijzullen pralen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepraald hebben
jijzult gepraald hebben
hijzal gepraald hebben
wijzullen gepraald hebben
julliezullen gepraald hebben
zijzullen gepraald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pralen
jijzou pralen
hijzou pralen
wijzouden pralen
julliezouden pralen
zijzouden pralen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepraald hebben
jijzou gepraald hebben
hijzou gepraald hebben
wijzouden gepraald hebben
julliezouden gepraald hebben
zijzouden gepraald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpraal

Verbs similar to 'pralen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch pralen.

Additional Information