postdateren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of postdateren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: postdateren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: postdaterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepostdateerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpostdateer
jijpostdateert
hijpostdateert
wijpostdateren
julliepostdateren
zijpostdateren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepostdateerd
jijhebt gepostdateerd
hijheeft gepostdateerd
wijhebben gepostdateerd
julliehebben gepostdateerd
zijhebben gepostdateerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpostdateerde
jijpostdateerde
hijpostdateerde
wijpostdateerden
julliepostdateerden
zijpostdateerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepostdateerd
jijhad gepostdateerd
hijhad gepostdateerd
wijhadden gepostdateerd
julliehadden gepostdateerd
zijhadden gepostdateerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal postdateren
jijzult postdateren
hijzal postdateren
wijzullen postdateren
julliezullen postdateren
zijzullen postdateren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepostdateerd hebben
jijzult gepostdateerd hebben
hijzal gepostdateerd hebben
wijzullen gepostdateerd hebben
julliezullen gepostdateerd hebben
zijzullen gepostdateerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou postdateren
jijzou postdateren
hijzou postdateren
wijzouden postdateren
julliezouden postdateren
zijzouden postdateren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepostdateerd hebben
jijzou gepostdateerd hebben
hijzou gepostdateerd hebben
wijzouden gepostdateerd hebben
julliezouden gepostdateerd hebben
zijzouden gepostdateerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpostdateer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information