pontificeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pontificeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pontificeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pontificerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepontificeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpontificeer
jijpontificeert
hijpontificeert
wijpontificeren
julliepontificeren
zijpontificeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepontificeerd
jijhebt gepontificeerd
hijheeft gepontificeerd
wijhebben gepontificeerd
julliehebben gepontificeerd
zijhebben gepontificeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpontificeerde
jijpontificeerde
hijpontificeerde
wijpontificeerden
julliepontificeerden
zijpontificeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepontificeerd
jijhad gepontificeerd
hijhad gepontificeerd
wijhadden gepontificeerd
julliehadden gepontificeerd
zijhadden gepontificeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pontificeren
jijzult pontificeren
hijzal pontificeren
wijzullen pontificeren
julliezullen pontificeren
zijzullen pontificeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepontificeerd hebben
jijzult gepontificeerd hebben
hijzal gepontificeerd hebben
wijzullen gepontificeerd hebben
julliezullen gepontificeerd hebben
zijzullen gepontificeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pontificeren
jijzou pontificeren
hijzou pontificeren
wijzouden pontificeren
julliezouden pontificeren
zijzouden pontificeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepontificeerd hebben
jijzou gepontificeerd hebben
hijzou gepontificeerd hebben
wijzouden gepontificeerd hebben
julliezouden gepontificeerd hebben
zijzouden gepontificeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpontificeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information