polsen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of polsen

The word "polsen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: polsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: polsend
Past participle - Verleden deelwoord: gepolst

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpols
jijpolst
hijpolst
wijpolsen
julliepolsen
zijpolsen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepolst
jijhebt gepolst
hijheeft gepolst
wijhebben gepolst
julliehebben gepolst
zijhebben gepolst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpolste
jijpolste
hijpolste
wijpolsten
julliepolsten
zijpolsten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepolst
jijhad gepolst
hijhad gepolst
wijhadden gepolst
julliehadden gepolst
zijhadden gepolst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal polsen
jijzult polsen
hijzal polsen
wijzullen polsen
julliezullen polsen
zijzullen polsen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepolst hebben
jijzult gepolst hebben
hijzal gepolst hebben
wijzullen gepolst hebben
julliezullen gepolst hebben
zijzullen gepolst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou polsen
jijzou polsen
hijzou polsen
wijzouden polsen
julliezouden polsen
zijzouden polsen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepolst hebben
jijzou gepolst hebben
hijzou gepolst hebben
wijzouden gepolst hebben
julliezouden gepolst hebben
zijzouden gepolst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpols

Verbs similar to 'polsen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From pols (“wrist”) + -en.

Additional Information