Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: plegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plegend
Past participle - Verleden deelwoord: gepleegd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | pleeg |
| jij | pleegt |
| hij | pleegt |
| wij | plegen |
| jullie | plegen |
| zij | plegen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geplacht; gepleegd |
| jij | hebt geplacht; gepleegd |
| hij | heeft geplacht; gepleegd |
| wij | hebben geplacht; gepleegd |
| jullie | hebben geplacht; gepleegd |
| zij | hebben geplacht; gepleegd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | placht; pleegde |
| jij | placht; pleegde |
| hij | placht; pleegde |
| wij | plachten; pleegden |
| jullie | plachten; pleegden |
| zij | plachten; pleegden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geplacht; gepleegd |
| jij | had geplacht; gepleegd |
| hij | had geplacht; gepleegd |
| wij | hadden geplacht; gepleegd |
| jullie | hadden geplacht; gepleegd |
| zij | hadden geplacht; gepleegd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal plegen |
| jij | zult plegen |
| hij | zal plegen |
| wij | zullen plegen |
| jullie | zullen plegen |
| zij | zullen plegen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geplacht; gepleegd hebben |
| jij | zult geplacht; gepleegd hebben |
| hij | zal geplacht; gepleegd hebben |
| wij | zullen geplacht; gepleegd hebben |
| jullie | zullen geplacht; gepleegd hebben |
| zij | zullen geplacht; gepleegd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou plegen |
| jij | zou plegen |
| hij | zou plegen |
| wij | zouden plegen |
| jullie | zouden plegen |
| zij | zouden plegen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geplacht; gepleegd hebben |
| jij | zou geplacht; gepleegd hebben |
| hij | zou geplacht; gepleegd hebben |
| wij | zouden geplacht; gepleegd hebben |
| jullie | zouden geplacht; gepleegd hebben |
| zij | zouden geplacht; gepleegd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'plegen'
plegen,
Verbs similar to 'plegen'
legen,
plagen,
ploegen,
fleren,
klagen,
kleden,
kleven,
leggen,
lenen,
lengen,
Sample Sentences
-
[...] ik bij mijne druiven komende, die geheel verstrooid, vertrapt, en ginds en herwaarts gesleept, en grootendeels opgegeten vond. Ik besloot hieruit, dat daar ergens wilde dieren waren, die dezen roof gepleegd hadden, schoon ik niet wist welke. Daar ik vond dat ik ze niet op hoopen leggen kon, en niet in een zak wegdragen, daar ze hierbij vertrapt worden of aan stukken gaan zouden, sloeg ik een anderen [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] niet als eene misdaad beschouwt; hun geweten bestraft er hen niet over. Zij weten niet, dat het eene misdaad is, en bedrijven die niet in spijt der Goddelijke geregtigheid, gelijk wij onze zonden plegen. Zij achten het evenmin eene misdaad, een krijgsgevangene te slagten, als wij eenen os te dooden, en hebben even weinig tegen menschenvleesch als wij tegen schapenvleesch. "
(Robinson Crusoe)
-
Nadat dit afgeloopen en al de goederen in mijn klein verblijf gebragt waren, begonnen wij raad te plegen, wat met onze gevangenen te doen; want het was eene zaak van rijp overleg, of wij het wagen zouden hen mede te nemen, of niet, vooral een paar van hen, die in den hoogsten graad onverbeterlijk en [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch plien, later plēgen, originally a class 4 strong verb. Presumably from Old Dutch *plian, from Proto-West Germanic *plehan (“to vouch for”). However, the form plegan already occurs in Old Dutch with -g-, and likewise for Old Saxon plegan and Old High German pflegan, so it is not certain what the exact relationship between the words is. See: Old Saxon '
plegan', Old High German 'pflegan'.
Verbs referencing "plegen"
English
play, Alemannic German
pflääge.
Additional Information