platineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of platineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: platineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: platinerend
Past participle - Verleden deelwoord: geplatineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplatineer
jijplatineert
hijplatineert
wijplatineren
jullieplatineren
zijplatineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geplatineerd
jijhebt geplatineerd
hijheeft geplatineerd
wijhebben geplatineerd
julliehebben geplatineerd
zijhebben geplatineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplatineerde
jijplatineerde
hijplatineerde
wijplatineerden
jullieplatineerden
zijplatineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geplatineerd
jijhad geplatineerd
hijhad geplatineerd
wijhadden geplatineerd
julliehadden geplatineerd
zijhadden geplatineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal platineren
jijzult platineren
hijzal platineren
wijzullen platineren
julliezullen platineren
zijzullen platineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geplatineerd hebben
jijzult geplatineerd hebben
hijzal geplatineerd hebben
wijzullen geplatineerd hebben
julliezullen geplatineerd hebben
zijzullen geplatineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou platineren
jijzou platineren
hijzou platineren
wijzouden platineren
julliezouden platineren
zijzouden platineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geplatineerd hebben
jijzou geplatineerd hebben
hijzou geplatineerd hebben
wijzouden geplatineerd hebben
julliezouden geplatineerd hebben
zijzouden geplatineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplatineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information