pinken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pinken

The word "pinken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pinken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pinkend
Past participle - Verleden deelwoord: gepinkt

Cognates

See the 2 cognates of pinken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpink
jijpinkt
hijpinkt
wijpinken
julliepinken
zijpinken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepinkt
jijhebt gepinkt
hijheeft gepinkt
wijhebben gepinkt
julliehebben gepinkt
zijhebben gepinkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpinkte
jijpinkte
hijpinkte
wijpinkten
julliepinkten
zijpinkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepinkt
jijhad gepinkt
hijhad gepinkt
wijhadden gepinkt
julliehadden gepinkt
zijhadden gepinkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pinken
jijzult pinken
hijzal pinken
wijzullen pinken
julliezullen pinken
zijzullen pinken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepinkt hebben
jijzult gepinkt hebben
hijzal gepinkt hebben
wijzullen gepinkt hebben
julliezullen gepinkt hebben
zijzullen gepinkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pinken
jijzou pinken
hijzou pinken
wijzouden pinken
julliezouden pinken
zijzouden pinken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepinkt hebben
jijzou gepinkt hebben
hijzou gepinkt hebben
wijzouden gepinkt hebben
julliezouden gepinkt hebben
zijzouden gepinkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpink

Verbs similar to 'pinken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "pinken"

English pink.

Additional Information