piketteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of piketteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: piketteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: piketterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepiketteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpiketteer
jijpiketteert
hijpiketteert
wijpiketteren
julliepiketteren
zijpiketteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepiketteerd
jijhebt gepiketteerd
hijheeft gepiketteerd
wijhebben gepiketteerd
julliehebben gepiketteerd
zijhebben gepiketteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpiketteerde
jijpiketteerde
hijpiketteerde
wijpiketteerden
julliepiketteerden
zijpiketteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepiketteerd
jijhad gepiketteerd
hijhad gepiketteerd
wijhadden gepiketteerd
julliehadden gepiketteerd
zijhadden gepiketteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal piketteren
jijzult piketteren
hijzal piketteren
wijzullen piketteren
julliezullen piketteren
zijzullen piketteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepiketteerd hebben
jijzult gepiketteerd hebben
hijzal gepiketteerd hebben
wijzullen gepiketteerd hebben
julliezullen gepiketteerd hebben
zijzullen gepiketteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou piketteren
jijzou piketteren
hijzou piketteren
wijzouden piketteren
julliezouden piketteren
zijzouden piketteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepiketteerd hebben
jijzou gepiketteerd hebben
hijzou gepiketteerd hebben
wijzouden gepiketteerd hebben
julliezouden gepiketteerd hebben
zijzouden gepiketteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpiketteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information