petitioneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of petitioneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: petitioneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: petitionerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepetitioneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpetitioneer
jijpetitioneert
hijpetitioneert
wijpetitioneren
julliepetitioneren
zijpetitioneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepetitioneerd
jijhebt gepetitioneerd
hijheeft gepetitioneerd
wijhebben gepetitioneerd
julliehebben gepetitioneerd
zijhebben gepetitioneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpetitioneerde
jijpetitioneerde
hijpetitioneerde
wijpetitioneerden
julliepetitioneerden
zijpetitioneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepetitioneerd
jijhad gepetitioneerd
hijhad gepetitioneerd
wijhadden gepetitioneerd
julliehadden gepetitioneerd
zijhadden gepetitioneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal petitioneren
jijzult petitioneren
hijzal petitioneren
wijzullen petitioneren
julliezullen petitioneren
zijzullen petitioneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepetitioneerd hebben
jijzult gepetitioneerd hebben
hijzal gepetitioneerd hebben
wijzullen gepetitioneerd hebben
julliezullen gepetitioneerd hebben
zijzullen gepetitioneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou petitioneren
jijzou petitioneren
hijzou petitioneren
wijzouden petitioneren
julliezouden petitioneren
zijzouden petitioneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepetitioneerd hebben
jijzou gepetitioneerd hebben
hijzou gepetitioneerd hebben
wijzouden gepetitioneerd hebben
julliezouden gepetitioneerd hebben
zijzouden gepetitioneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpetitioneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information