pesten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pesten

The word "pesten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pesten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pestend
Past participle - Verleden deelwoord: gepest

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpest
jijpest
hijpest
wijpesten
julliepesten
zijpesten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepest
jijhebt gepest
hijheeft gepest
wijhebben gepest
julliehebben gepest
zijhebben gepest

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpestte
jijpestte
hijpestte
wijpestten
julliepestten
zijpestten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepest
jijhad gepest
hijhad gepest
wijhadden gepest
julliehadden gepest
zijhadden gepest

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pesten
jijzult pesten
hijzal pesten
wijzullen pesten
julliezullen pesten
zijzullen pesten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepest hebben
jijzult gepest hebben
hijzal gepest hebben
wijzullen gepest hebben
julliezullen gepest hebben
zijzullen gepest hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pesten
jijzou pesten
hijzou pesten
wijzouden pesten
julliezouden pesten
zijzouden pesten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepest hebben
jijzou gepest hebben
hijzou gepest hebben
wijzouden gepest hebben
julliezouden gepest hebben
zijzouden gepest hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpest

Verbs similar to 'pesten'

Translations

  • bedevil, to harass
  • bully, to intimidate
  • cow, to intimidate
  • devil, annoy or bother
  • dog, to follow in an annoying way
  • harass, to annoy; to molest
  • needle, to tease in order to provoke
  • pester, to annoy persistently
  • plague, to harass
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information