peroreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of peroreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: peroreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: perorerend
Past participle - Verleden deelwoord: geperoreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikperoreer
jijperoreert
hijperoreert
wijperoreren
jullieperoreren
zijperoreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geperoreerd
jijhebt geperoreerd
hijheeft geperoreerd
wijhebben geperoreerd
julliehebben geperoreerd
zijhebben geperoreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikperoreerde
jijperoreerde
hijperoreerde
wijperoreerden
jullieperoreerden
zijperoreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geperoreerd
jijhad geperoreerd
hijhad geperoreerd
wijhadden geperoreerd
julliehadden geperoreerd
zijhadden geperoreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal peroreren
jijzult peroreren
hijzal peroreren
wijzullen peroreren
julliezullen peroreren
zijzullen peroreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geperoreerd hebben
jijzult geperoreerd hebben
hijzal geperoreerd hebben
wijzullen geperoreerd hebben
julliezullen geperoreerd hebben
zijzullen geperoreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou peroreren
jijzou peroreren
hijzou peroreren
wijzouden peroreren
julliezouden peroreren
zijzouden peroreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geperoreerd hebben
jijzou geperoreerd hebben
hijzou geperoreerd hebben
wijzouden geperoreerd hebben
julliezouden geperoreerd hebben
zijzouden geperoreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijperoreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information