periodiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of periodiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: periodiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: periodiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geperiodiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikperiodiseer
jijperiodiseert
hijperiodiseert
wijperiodiseren
jullieperiodiseren
zijperiodiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geperiodiseerd
jijhebt geperiodiseerd
hijheeft geperiodiseerd
wijhebben geperiodiseerd
julliehebben geperiodiseerd
zijhebben geperiodiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikperiodiseerde
jijperiodiseerde
hijperiodiseerde
wijperiodiseerden
jullieperiodiseerden
zijperiodiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geperiodiseerd
jijhad geperiodiseerd
hijhad geperiodiseerd
wijhadden geperiodiseerd
julliehadden geperiodiseerd
zijhadden geperiodiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal periodiseren
jijzult periodiseren
hijzal periodiseren
wijzullen periodiseren
julliezullen periodiseren
zijzullen periodiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geperiodiseerd hebben
jijzult geperiodiseerd hebben
hijzal geperiodiseerd hebben
wijzullen geperiodiseerd hebben
julliezullen geperiodiseerd hebben
zijzullen geperiodiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou periodiseren
jijzou periodiseren
hijzou periodiseren
wijzouden periodiseren
julliezouden periodiseren
zijzouden periodiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geperiodiseerd hebben
jijzou geperiodiseerd hebben
hijzou geperiodiseerd hebben
wijzouden geperiodiseerd hebben
julliezouden geperiodiseerd hebben
zijzouden geperiodiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijperiodiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information