percuteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of percuteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: percuteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: percuterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepercuteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpercuteer
jijpercuteert
hijpercuteert
wijpercuteren
julliepercuteren
zijpercuteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepercuteerd
jijhebt gepercuteerd
hijheeft gepercuteerd
wijhebben gepercuteerd
julliehebben gepercuteerd
zijhebben gepercuteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpercuteerde
jijpercuteerde
hijpercuteerde
wijpercuteerden
julliepercuteerden
zijpercuteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepercuteerd
jijhad gepercuteerd
hijhad gepercuteerd
wijhadden gepercuteerd
julliehadden gepercuteerd
zijhadden gepercuteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal percuteren
jijzult percuteren
hijzal percuteren
wijzullen percuteren
julliezullen percuteren
zijzullen percuteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepercuteerd hebben
jijzult gepercuteerd hebben
hijzal gepercuteerd hebben
wijzullen gepercuteerd hebben
julliezullen gepercuteerd hebben
zijzullen gepercuteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou percuteren
jijzou percuteren
hijzou percuteren
wijzouden percuteren
julliezouden percuteren
zijzouden percuteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepercuteerd hebben
jijzou gepercuteerd hebben
hijzou gepercuteerd hebben
wijzouden gepercuteerd hebben
julliezouden gepercuteerd hebben
zijzouden gepercuteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpercuteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information