peilen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of peilen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: peilen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: peilend
Past participle - Verleden deelwoord: gepeild

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpeil
jijpeilt
hijpeilt
wijpeilen
julliepeilen
zijpeilen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepeild
jijhebt gepeild
hijheeft gepeild
wijhebben gepeild
julliehebben gepeild
zijhebben gepeild

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpeilde
jijpeilde
hijpeilde
wijpeilden
julliepeilden
zijpeilden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepeild
jijhad gepeild
hijhad gepeild
wijhadden gepeild
julliehadden gepeild
zijhadden gepeild

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal peilen
jijzult peilen
hijzal peilen
wijzullen peilen
julliezullen peilen
zijzullen peilen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepeild hebben
jijzult gepeild hebben
hijzal gepeild hebben
wijzullen gepeild hebben
julliezullen gepeild hebben
zijzullen gepeild hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou peilen
jijzou peilen
hijzou peilen
wijzouden peilen
julliezouden peilen
zijzouden peilen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepeild hebben
jijzou gepeild hebben
hijzou gepeild hebben
wijzouden gepeild hebben
julliezouden gepeild hebben
zijzouden gepeild hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpeil

Translations

  • cast, to heave a lead and line in order to ascertain the depth of water
  • sound, to probe
  • poll, to solicit mock votes from (a person or group)
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    meten
    onderzoeken, opnemen, polsen
    bepalen
    lokaliseren, vaststellen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch pēgelen. Equivalent to peil + -en.

    Additional Information