patineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of patineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: patineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: patinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepatineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpatineer
jijpatineert
hijpatineert
wijpatineren
julliepatineren
zijpatineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepatineerd
jijhebt gepatineerd
hijheeft gepatineerd
wijhebben gepatineerd
julliehebben gepatineerd
zijhebben gepatineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpatineerde
jijpatineerde
hijpatineerde
wijpatineerden
julliepatineerden
zijpatineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepatineerd
jijhad gepatineerd
hijhad gepatineerd
wijhadden gepatineerd
julliehadden gepatineerd
zijhadden gepatineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal patineren
jijzult patineren
hijzal patineren
wijzullen patineren
julliezullen patineren
zijzullen patineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepatineerd hebben
jijzult gepatineerd hebben
hijzal gepatineerd hebben
wijzullen gepatineerd hebben
julliezullen gepatineerd hebben
zijzullen gepatineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou patineren
jijzou patineren
hijzou patineren
wijzouden patineren
julliezouden patineren
zijzouden patineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepatineerd hebben
jijzou gepatineerd hebben
hijzou gepatineerd hebben
wijzouden gepatineerd hebben
julliezouden gepatineerd hebben
zijzouden gepatineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpatineer

Translations

  • patine, coat an object with a patina
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information