panacheren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of panacheren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: panacheren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: panacherend
Past participle - Verleden deelwoord: gepanacheerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpanacheer
jijpanacheert
hijpanacheert
wijpanacheren
julliepanacheren
zijpanacheren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepanacheerd
jijhebt gepanacheerd
hijheeft gepanacheerd
wijhebben gepanacheerd
julliehebben gepanacheerd
zijhebben gepanacheerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpanacheerde
jijpanacheerde
hijpanacheerde
wijpanacheerden
julliepanacheerden
zijpanacheerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepanacheerd
jijhad gepanacheerd
hijhad gepanacheerd
wijhadden gepanacheerd
julliehadden gepanacheerd
zijhadden gepanacheerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal panacheren
jijzult panacheren
hijzal panacheren
wijzullen panacheren
julliezullen panacheren
zijzullen panacheren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepanacheerd hebben
jijzult gepanacheerd hebben
hijzal gepanacheerd hebben
wijzullen gepanacheerd hebben
julliezullen gepanacheerd hebben
zijzullen gepanacheerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou panacheren
jijzou panacheren
hijzou panacheren
wijzouden panacheren
julliezouden panacheren
zijzouden panacheren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepanacheerd hebben
jijzou gepanacheerd hebben
hijzou gepanacheerd hebben
wijzouden gepanacheerd hebben
julliezouden gepanacheerd hebben
zijzouden gepanacheerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpanacheer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information