opzenden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opzenden

The word "opzenden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opzenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opzendend
Past participle - Verleden deelwoord: opgezend

Cognates

See the 3 cognates of opzenden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzend op
jijzendt op
hijzendt op
wijzenden op
julliezenden op
zijzenden op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgezend
jijhebt opgezend
hijheeft opgezend
wijhebben opgezend
julliehebben opgezend
zijhebben opgezend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzendde op
jijzendde op
hijzendde op
wijzendden op
julliezendden op
zijzendden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgezend
jijhad opgezend
hijhad opgezend
wijhadden opgezend
julliehadden opgezend
zijhadden opgezend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opzenden
jijzult opzenden
hijzal opzenden
wijzullen opzenden
julliezullen opzenden
zijzullen opzenden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgezend hebben
jijzult opgezend hebben
hijzal opgezend hebben
wijzullen opgezend hebben
julliezullen opgezend hebben
zijzullen opgezend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opzenden
jijzou opzenden
hijzou opzenden
wijzouden opzenden
julliezouden opzenden
zijzouden opzenden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgezend hebben
jijzou opgezend hebben
hijzou opgezend hebben
wijzouden opgezend hebben
julliezouden opgezend hebben
zijzouden opgezend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzend op

Verbs similar to 'opzenden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "opzenden"

English upsend.

Additional Information