opjagen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opjagen

The word "opjagen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opjagen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opjagend
Past participle - Verleden deelwoord: opgejaagd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjaag op
jijjaagt op
hijjaagt op
wijjagen op
julliejagen op
zijjagen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgejaagd
jijhebt opgejaagd
hijheeft opgejaagd
wijhebben opgejaagd
julliehebben opgejaagd
zijhebben opgejaagd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjaagde op
jijjaagde op
hijjaagde op
wijjaagden op
julliejaagden op
zijjaagden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgejaagd
jijhad opgejaagd
hijhad opgejaagd
wijhadden opgejaagd
julliehadden opgejaagd
zijhadden opgejaagd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opjagen
jijzult opjagen
hijzal opjagen
wijzullen opjagen
julliezullen opjagen
zijzullen opjagen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgejaagd hebben
jijzult opgejaagd hebben
hijzal opgejaagd hebben
wijzullen opgejaagd hebben
julliezullen opgejaagd hebben
zijzullen opgejaagd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opjagen
jijzou opjagen
hijzou opjagen
wijzouden opjagen
julliezouden opjagen
zijzouden opjagen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgejaagd hebben
jijzou opgejaagd hebben
hijzou opgejaagd hebben
wijzouden opgejaagd hebben
julliezouden opgejaagd hebben
zijzouden opgejaagd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjaag op

Verbs similar to 'opjagen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From op + jagen.

Additional Information