ontzadelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontzadelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontzadelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontzadelend
Past participle - Verleden deelwoord: ontzadeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontzadel
jijontzadelt
hijontzadelt
wijontzadelen
jullieontzadelen
zijontzadelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ontzadeld
jijhebt ontzadeld
hijheeft ontzadeld
wijhebben ontzadeld
julliehebben ontzadeld
zijhebben ontzadeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontzadelde
jijontzadelde
hijontzadelde
wijontzadelden
jullieontzadelden
zijontzadelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ontzadeld
jijhad ontzadeld
hijhad ontzadeld
wijhadden ontzadeld
julliehadden ontzadeld
zijhadden ontzadeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontzadelen
jijzult ontzadelen
hijzal ontzadelen
wijzullen ontzadelen
julliezullen ontzadelen
zijzullen ontzadelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontzadeld hebben
jijzult ontzadeld hebben
hijzal ontzadeld hebben
wijzullen ontzadeld hebben
julliezullen ontzadeld hebben
zijzullen ontzadeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontzadelen
jijzou ontzadelen
hijzou ontzadelen
wijzouden ontzadelen
julliezouden ontzadelen
zijzouden ontzadelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontzadeld hebben
jijzou ontzadeld hebben
hijzou ontzadeld hebben
wijzouden ontzadeld hebben
julliezouden ontzadeld hebben
zijzouden ontzadeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijontzadel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From ont- (“de-”) + zadelen (“to saddle”), or from zadel (“saddle”) + ont- -en (privative verb-forming circumfix).

Additional Information