onttakelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of onttakelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: onttakelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: onttakelend
Past participle - Verleden deelwoord: onttakeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikonttakel
jijonttakelt
hijonttakelt
wijonttakelen
jullieonttakelen
zijonttakelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb onttakeld
jijhebt onttakeld
hijheeft onttakeld
wijhebben onttakeld
julliehebben onttakeld
zijhebben onttakeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikonttakelde
jijonttakelde
hijonttakelde
wijonttakelden
jullieonttakelden
zijonttakelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad onttakeld
jijhad onttakeld
hijhad onttakeld
wijhadden onttakeld
julliehadden onttakeld
zijhadden onttakeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal onttakelen
jijzult onttakelen
hijzal onttakelen
wijzullen onttakelen
julliezullen onttakelen
zijzullen onttakelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal onttakeld hebben
jijzult onttakeld hebben
hijzal onttakeld hebben
wijzullen onttakeld hebben
julliezullen onttakeld hebben
zijzullen onttakeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou onttakelen
jijzou onttakelen
hijzou onttakelen
wijzouden onttakelen
julliezouden onttakelen
zijzouden onttakelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou onttakeld hebben
jijzou onttakeld hebben
hijzou onttakeld hebben
wijzouden onttakeld hebben
julliezouden onttakeld hebben
zijzouden onttakeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijonttakel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From ont- (“un-, dis-”) + takelen (“to hoist with a tackle”), or from takel (“tackle”) + ont- -en (privative verb-forming circumfix).

Additional Information