ontraden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontraden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontraden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontradend
Past participle - Verleden deelwoord: ontraden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontraad
jijontraadt
hijontraadt
wijontraden
jullieontraden
zijontraden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ontraden
jijhebt ontraden
hijheeft ontraden
wijhebben ontraden
julliehebben ontraden
zijhebben ontraden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontried; ontraadde
jijontried; ontraadde
hijontried; ontraadde
wijontrieden; ontraadden
jullieontrieden; ontraadden
zijontrieden; ontraadden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ontraden
jijhad ontraden
hijhad ontraden
wijhadden ontraden
julliehadden ontraden
zijhadden ontraden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontraden
jijzult ontraden
hijzal ontraden
wijzullen ontraden
julliezullen ontraden
zijzullen ontraden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontraden hebben
jijzult ontraden hebben
hijzal ontraden hebben
wijzullen ontraden hebben
julliezullen ontraden hebben
zijzullen ontraden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontraden
jijzou ontraden
hijzou ontraden
wijzouden ontraden
julliezouden ontraden
zijzouden ontraden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontraden hebben
jijzou ontraden hebben
hijzou ontraden hebben
wijzouden ontraden hebben
julliezouden ontraden hebben
zijzouden ontraden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijontraad

Verbs conjugated like 'ontraden'

aanraden, afraden, bevoorraden, ontraden, raden, verraden,

Translations

  • discourage, to persuade somebody not to do something
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From ont- + raden.

    Additional Information