onaneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of onaneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: onaneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: onanerend
Past participle - Verleden deelwoord: geonaneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikonaneer
jijonaneert
hijonaneert
wijonaneren
jullieonaneren
zijonaneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geonaneerd
jijhebt geonaneerd
hijheeft geonaneerd
wijhebben geonaneerd
julliehebben geonaneerd
zijhebben geonaneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikonaneerde
jijonaneerde
hijonaneerde
wijonaneerden
jullieonaneerden
zijonaneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geonaneerd
jijhad geonaneerd
hijhad geonaneerd
wijhadden geonaneerd
julliehadden geonaneerd
zijhadden geonaneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal onaneren
jijzult onaneren
hijzal onaneren
wijzullen onaneren
julliezullen onaneren
zijzullen onaneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geonaneerd hebben
jijzult geonaneerd hebben
hijzal geonaneerd hebben
wijzullen geonaneerd hebben
julliezullen geonaneerd hebben
zijzullen geonaneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou onaneren
jijzou onaneren
hijzou onaneren
wijzouden onaneren
julliezouden onaneren
zijzouden onaneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geonaneerd hebben
jijzou geonaneerd hebben
hijzou geonaneerd hebben
wijzouden geonaneerd hebben
julliezouden geonaneerd hebben
zijzouden geonaneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijonaneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information