minnen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of minnen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: minnen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: minnend
Past participle - Verleden deelwoord: gemind

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmin
jijmint
hijmint
wijminnen
jullieminnen
zijminnen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemind
jijhebt gemind
hijheeft gemind
wijhebben gemind
julliehebben gemind
zijhebben gemind

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikminde
jijminde
hijminde
wijminden
jullieminden
zijminden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemind
jijhad gemind
hijhad gemind
wijhadden gemind
julliehadden gemind
zijhadden gemind

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal minnen
jijzult minnen
hijzal minnen
wijzullen minnen
julliezullen minnen
zijzullen minnen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemind hebben
jijzult gemind hebben
hijzal gemind hebben
wijzullen gemind hebben
julliezullen gemind hebben
zijzullen gemind hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou minnen
jijzou minnen
hijzou minnen
wijzouden minnen
julliezouden minnen
zijzouden minnen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemind hebben
jijzou gemind hebben
hijzou gemind hebben
wijzouden gemind hebben
julliezouden gemind hebben
zijzouden gemind hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmin

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

beminnen
liefhebben

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch minnen, from Old Dutch minnon, from Proto-West Germanic *minnjōn, from Proto-Germanic *minjōną. Equivalent to min + -en. See: Old Dutch 'minnon'.

Verbs referencing "minnen"

Frisian, Saterlandic minje.

Additional Information