lynchen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lynchen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lynchen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lynchend
Past participle - Verleden deelwoord: gelyncht

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklynch
jijlyncht
hijlyncht
wijlynchen
jullielynchen
zijlynchen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelyncht
jijhebt gelyncht
hijheeft gelyncht
wijhebben gelyncht
julliehebben gelyncht
zijhebben gelyncht

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklynchte
jijlynchte
hijlynchte
wijlynchten
jullielynchten
zijlynchten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelyncht
jijhad gelyncht
hijhad gelyncht
wijhadden gelyncht
julliehadden gelyncht
zijhadden gelyncht

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lynchen
jijzult lynchen
hijzal lynchen
wijzullen lynchen
julliezullen lynchen
zijzullen lynchen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelyncht hebben
jijzult gelyncht hebben
hijzal gelyncht hebben
wijzullen gelyncht hebben
julliezullen gelyncht hebben
zijzullen gelyncht hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lynchen
jijzou lynchen
hijzou lynchen
wijzouden lynchen
julliezouden lynchen
zijzouden lynchen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelyncht hebben
jijzou gelyncht hebben
hijzou gelyncht hebben
wijzouden gelyncht hebben
julliezouden gelyncht hebben
zijzouden gelyncht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlynch

Translations

  • lynch, execute without a proper legal trial
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information