lammeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lammeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lammeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lammerend
Past participle - Verleden deelwoord: gelammerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijlammert

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft gelammerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijlammerde

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad gelammerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal lammeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal gelammerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou lammeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou gelammerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

  • lamb, of a sheep, to give birth
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From lam (“lamb”) + -er- + -en.

    Additional Information