lamleggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lamleggen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lamleggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lamleggend
Past participle - Verleden deelwoord: lamgelegd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleg lam
jijlegt lam
hijlegt lam
wijleggen lam
jullieleggen lam
zijleggen lam

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb lamgelegd
jijhebt lamgelegd
hijheeft lamgelegd
wijhebben lamgelegd
julliehebben lamgelegd
zijhebben lamgelegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklegde lam
jijlegde lam
hijlegde lam
wijlegden lam
jullielegden lam
zijlegden lam

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad lamgelegd
jijhad lamgelegd
hijhad lamgelegd
wijhadden lamgelegd
julliehadden lamgelegd
zijhadden lamgelegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lamleggen
jijzult lamleggen
hijzal lamleggen
wijzullen lamleggen
julliezullen lamleggen
zijzullen lamleggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal lamgelegd hebben
jijzult lamgelegd hebben
hijzal lamgelegd hebben
wijzullen lamgelegd hebben
julliezullen lamgelegd hebben
zijzullen lamgelegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lamleggen
jijzou lamleggen
hijzou lamleggen
wijzouden lamleggen
julliezouden lamleggen
zijzouden lamleggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou lamgelegd hebben
jijzou lamgelegd hebben
hijzou lamgelegd hebben
wijzouden lamgelegd hebben
julliezouden lamgelegd hebben
zijzouden lamgelegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleg lam

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information