lamenteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lamenteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lamenteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lamenterend
Past participle - Verleden deelwoord: gelamenteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklamenteer
jijlamenteert
hijlamenteert
wijlamenteren
jullielamenteren
zijlamenteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelamenteerd
jijhebt gelamenteerd
hijheeft gelamenteerd
wijhebben gelamenteerd
julliehebben gelamenteerd
zijhebben gelamenteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklamenteerde
jijlamenteerde
hijlamenteerde
wijlamenteerden
jullielamenteerden
zijlamenteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelamenteerd
jijhad gelamenteerd
hijhad gelamenteerd
wijhadden gelamenteerd
julliehadden gelamenteerd
zijhadden gelamenteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lamenteren
jijzult lamenteren
hijzal lamenteren
wijzullen lamenteren
julliezullen lamenteren
zijzullen lamenteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelamenteerd hebben
jijzult gelamenteerd hebben
hijzal gelamenteerd hebben
wijzullen gelamenteerd hebben
julliezullen gelamenteerd hebben
zijzullen gelamenteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lamenteren
jijzou lamenteren
hijzou lamenteren
wijzouden lamenteren
julliezouden lamenteren
zijzouden lamenteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelamenteerd hebben
jijzou gelamenteerd hebben
hijzou gelamenteerd hebben
wijzouden gelamenteerd hebben
julliezouden gelamenteerd hebben
zijzouden gelamenteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlamenteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

jammeren
jeremiëren, kermen, weeklagen

Sample Sentences

Etymology

From French lamenter. See: French 'lamenter'.

Additional Information