klemmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of klemmen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: klemmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: klemmend
Past participle - Verleden deelwoord: geklemd

Cognates

See the 2 cognates of klemmen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikklem
jijklemt
hijklemt
wijklemmen
jullieklemmen
zijklemmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geklemd
jijhebt geklemd
hijheeft geklemd
wijhebben geklemd
julliehebben geklemd
zijhebben geklemd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikklemde
jijklemde
hijklemde
wijklemden
jullieklemden
zijklemden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geklemd
jijhad geklemd
hijhad geklemd
wijhadden geklemd
julliehadden geklemd
zijhadden geklemd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal klemmen
jijzult klemmen
hijzal klemmen
wijzullen klemmen
julliezullen klemmen
zijzullen klemmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geklemd hebben
jijzult geklemd hebben
hijzal geklemd hebben
wijzullen geklemd hebben
julliezullen geklemd hebben
zijzullen geklemd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou klemmen
jijzou klemmen
hijzou klemmen
wijzouden klemmen
julliezouden klemmen
zijzouden klemmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geklemd hebben
jijzou geklemd hebben
hijzou geklemd hebben
wijzouden geklemd hebben
julliezouden geklemd hebben
zijzouden geklemd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijklem

Translations

  • squeeze, to apply pressure to from two or more sides at once
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    knellen
    knijpen, vastzetten, vergrendelen

    Sample Sentences

    • [...] mensch het ontkomen ! " Duizendmaal, geloof ik, herhaalde ik deze woorden, en dan wrong ik zoo hevig de handen, dat zoo er eenig voorwerp in geweest ware, het verbrijzeld zou geworden zijn, en ik klemde mijne tanden zoo stijf opeen, dat ik eenigen tijd den mond niet openen kon. De natuurkundigen mogen mijnenthalve het verklaren; ik kan slechts mededeelen wat er gebeurde, en hoe ik zelf mij er over [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch clemmen, from Old Dutch *klemmen, from Proto-West Germanic *klammjan. See: Middle Dutch 'clemmen'.

    Verbs referencing "klemmen"

    English clem, Ido klemar.

    Additional Information