klapwieken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of klapwieken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: klapwieken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: klapwiekend
Past participle - Verleden deelwoord: geklapwiekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijklapwiekt

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft geklapwiekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijklapwiekte

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad geklapwiekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal klapwieken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal geklapwiekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou klapwieken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou geklapwiekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

kleppen
klepperen

Sample Sentences

  • Twee meeuwen klapwieken krijsend over de hoofden van de journalisten, vechtend om een overgebleven frietje. [2014 July 22, “Zelfs de hemel huilt”, in De Telegraaf:]
  • Zo maken grote vogels – zoals vale gieren – slim gebruik van thermiek om hoogte te winnen zonder hun vleugels te hoeven klapwieken. [2015 October 15, Tim Kraaijvanger, “Gedrag van vogels kan gebruikt worden als weersvoorspelling”, in Scientas.nl:]
  • Kortom, de emoties klapwieken heen en weer tussen jankende pret en huilend plezier! [2015 October 8, “Jubileumrevue Kommer en Kwel”, in Sneeker Nieuwsblad:]

Etymology

Compound of klappen (“to clap, to flap”) + wieken (“to use wings”).

Additional Information