kibbelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kibbelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kibbelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kibbelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekibbeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkibbel
jijkibbelt
hijkibbelt
wijkibbelen
julliekibbelen
zijkibbelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekibbeld
jijhebt gekibbeld
hijheeft gekibbeld
wijhebben gekibbeld
julliehebben gekibbeld
zijhebben gekibbeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkibbelde
jijkibbelde
hijkibbelde
wijkibbelden
julliekibbelden
zijkibbelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekibbeld
jijhad gekibbeld
hijhad gekibbeld
wijhadden gekibbeld
julliehadden gekibbeld
zijhadden gekibbeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kibbelen
jijzult kibbelen
hijzal kibbelen
wijzullen kibbelen
julliezullen kibbelen
zijzullen kibbelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekibbeld hebben
jijzult gekibbeld hebben
hijzal gekibbeld hebben
wijzullen gekibbeld hebben
julliezullen gekibbeld hebben
zijzullen gekibbeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kibbelen
jijzou kibbelen
hijzou kibbelen
wijzouden kibbelen
julliezouden kibbelen
zijzouden kibbelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekibbeld hebben
jijzou gekibbeld hebben
hijzou gekibbeld hebben
wijzouden gekibbeld hebben
julliezouden gekibbeld hebben
zijzouden gekibbeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkibbel

Translations

  • bicker, quarrel in a tiresome manner
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bekvechten
    harrewarren, kijven, ruziën

    Sample Sentences

    • Hou toch eens op over die ene pop te kibbelen. Hebben we niet genoeg speelgoed? (Could you stop bickering over that one doll. Don't we have enough toys?)

    Etymology

    From kijven + -elen.

    Additional Information