babbelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of babbelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: babbelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: babbelend
Past participle - Verleden deelwoord: gebabbeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbabbel
jijbabbelt
hijbabbelt
wijbabbelen
julliebabbelen
zijbabbelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebabbeld
jijhebt gebabbeld
hijheeft gebabbeld
wijhebben gebabbeld
julliehebben gebabbeld
zijhebben gebabbeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbabbelde
jijbabbelde
hijbabbelde
wijbabbelden
julliebabbelden
zijbabbelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebabbeld
jijhad gebabbeld
hijhad gebabbeld
wijhadden gebabbeld
julliehadden gebabbeld
zijhadden gebabbeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal babbelen
jijzult babbelen
hijzal babbelen
wijzullen babbelen
julliezullen babbelen
zijzullen babbelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebabbeld hebben
jijzult gebabbeld hebben
hijzal gebabbeld hebben
wijzullen gebabbeld hebben
julliezullen gebabbeld hebben
zijzullen gebabbeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou babbelen
jijzou babbelen
hijzou babbelen
wijzouden babbelen
julliezouden babbelen
zijzouden babbelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebabbeld hebben
jijzou gebabbeld hebben
hijzou gebabbeld hebben
wijzouden gebabbeld hebben
julliezouden gebabbeld hebben
zijzouden gebabbeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbabbel

Translations

  • babble, to talk much
  • chat, be engaged in informal conversation
  • chat, talk more than a few words
  • chatter, talk idly
  • gossip, to talk idly
  • hobnob, to associate in a friendly manner with
  • natter, to talk idly
  • prate, to talk much, to chatter
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    teuten
    zwammen
    keuvelen
    kletsen, kwebbelen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch babbelen, from Old Dutch *babbalon, from Proto-West Germanic *babalōn, from Proto-Germanic *babalōną. See: Old Dutch '*babbalon', Proto-Germanic '*babalōną'.

    Verbs referencing "babbelen"

    English babble, French babiller, Old French babillier, Lithuanian veblenti.

    Additional Information