katoliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of katoliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: katoliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: katoliserend
Past participle - Verleden deelwoord: gekatoliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkatoliseer
jijkatoliseert
hijkatoliseert
wijkatoliseren
julliekatoliseren
zijkatoliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekatoliseerd
jijhebt gekatoliseerd
hijheeft gekatoliseerd
wijhebben gekatoliseerd
julliehebben gekatoliseerd
zijhebben gekatoliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkatoliseerde
jijkatoliseerde
hijkatoliseerde
wijkatoliseerden
julliekatoliseerden
zijkatoliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekatoliseerd
jijhad gekatoliseerd
hijhad gekatoliseerd
wijhadden gekatoliseerd
julliehadden gekatoliseerd
zijhadden gekatoliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal katoliseren
jijzult katoliseren
hijzal katoliseren
wijzullen katoliseren
julliezullen katoliseren
zijzullen katoliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekatoliseerd hebben
jijzult gekatoliseerd hebben
hijzal gekatoliseerd hebben
wijzullen gekatoliseerd hebben
julliezullen gekatoliseerd hebben
zijzullen gekatoliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou katoliseren
jijzou katoliseren
hijzou katoliseren
wijzouden katoliseren
julliezouden katoliseren
zijzouden katoliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekatoliseerd hebben
jijzou gekatoliseerd hebben
hijzou gekatoliseerd hebben
wijzouden gekatoliseerd hebben
julliezouden gekatoliseerd hebben
zijzouden gekatoliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkatoliseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information