inunderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inunderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inunderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inunderend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnundeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinundeer
jijinundeert
hijinundeert
wijinunderen
jullieinunderen
zijinunderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnundeerd
jijhebt geïnundeerd
hijheeft geïnundeerd
wijhebben geïnundeerd
julliehebben geïnundeerd
zijhebben geïnundeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinundeerde
jijinundeerde
hijinundeerde
wijinundeerden
jullieinundeerden
zijinundeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnundeerd
jijhad geïnundeerd
hijhad geïnundeerd
wijhadden geïnundeerd
julliehadden geïnundeerd
zijhadden geïnundeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inunderen
jijzult inunderen
hijzal inunderen
wijzullen inunderen
julliezullen inunderen
zijzullen inunderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnundeerd hebben
jijzult geïnundeerd hebben
hijzal geïnundeerd hebben
wijzullen geïnundeerd hebben
julliezullen geïnundeerd hebben
zijzullen geïnundeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inunderen
jijzou inunderen
hijzou inunderen
wijzouden inunderen
julliezouden inunderen
zijzouden inunderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnundeerd hebben
jijzou geïnundeerd hebben
hijzou geïnundeerd hebben
wijzouden geïnundeerd hebben
julliezouden geïnundeerd hebben
zijzouden geïnundeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinundeer

Translations

  • inundate, to cover with large amounts of water
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information