Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: instemmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: instemmend
Past participle - Verleden deelwoord: ingestemd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | stem in |
| jij | stemt in |
| hij | stemt in |
| wij | stemmen in |
| jullie | stemmen in |
| zij | stemmen in |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb ingestemd |
| jij | hebt ingestemd |
| hij | heeft ingestemd |
| wij | hebben ingestemd |
| jullie | hebben ingestemd |
| zij | hebben ingestemd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | stemde in |
| jij | stemde in |
| hij | stemde in |
| wij | stemden in |
| jullie | stemden in |
| zij | stemden in |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had ingestemd |
| jij | had ingestemd |
| hij | had ingestemd |
| wij | hadden ingestemd |
| jullie | hadden ingestemd |
| zij | hadden ingestemd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal instemmen |
| jij | zult instemmen |
| hij | zal instemmen |
| wij | zullen instemmen |
| jullie | zullen instemmen |
| zij | zullen instemmen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal ingestemd hebben |
| jij | zult ingestemd hebben |
| hij | zal ingestemd hebben |
| wij | zullen ingestemd hebben |
| jullie | zullen ingestemd hebben |
| zij | zullen ingestemd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou instemmen |
| jij | zou instemmen |
| hij | zou instemmen |
| wij | zouden instemmen |
| jullie | zouden instemmen |
| zij | zouden instemmen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou ingestemd hebben |
| jij | zou ingestemd hebben |
| hij | zou ingestemd hebben |
| wij | zouden ingestemd hebben |
| jullie | zouden ingestemd hebben |
| zij | zouden ingestemd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'instemmen'
aanballen,
aanbellen,
aanbollen,
aanbrullen,
aaneenwellen,
aanleggen,
aanrollen,
aanschellen,
aanstellen,
aantellen,
aantillen,
aanvollen,
aanvullen,
aanwellen,
aanwennen,
achternahollen,
achterstellen,
afbellen,
afgillen,
afhollen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'instemmen'
bestemmen,
instellen,
stemmen,
afstammen,
inademen,
innemen,
insmeren,
inspelen,
instappen,
stammen,
Translations
agree, harmonize in opinion; be in unison or concord; be united; concur
consent, to express willingness
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] gereed stond om te vertrekken, maakte hij zelf mij een zwarigheid, die aan den eenen kant zoo gegrond was, en aan den anderen kant zoo van zijne opregtheid getuigde, dat ik niet anders dan met hem instemmen kon, en naar zijn raad, de bevrijding zijner makkers, ten minste een half jaar uitstelde. Het geval was namelijk dit. Hij was nu ongeveer eene maand bij mij geweest, gedurende welke ik hem had laten [...]
(Robinson Crusoe)
-
Toen de kapitein bij mij kwam, deelde ik hem mijn ontwerp om het schip te overmeesteren mede, waarmede hij van harten instemde, en wij besloten het den volgenden morgen ten uitvoer te brengen. Ten einde het echter te geruster en goed doordacht te verrigten, zeide ik hem, dat wij de gevangenen moesten verdeelen, en dat hij [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From in (“in”) + stemmen (“to vote, tune”), calque of German einstimmen. See: German, old spelling '
einstimmen'.
Additional Information