inhuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inhuren

The word "inhuren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inhuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inhurend
Past participle - Verleden deelwoord: ingehuurd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhuur in
jijhuurt in
hijhuurt in
wijhuren in
julliehuren in
zijhuren in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingehuurd
jijhebt ingehuurd
hijheeft ingehuurd
wijhebben ingehuurd
julliehebben ingehuurd
zijhebben ingehuurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhuurde in
jijhuurde in
hijhuurde in
wijhuurden in
julliehuurden in
zijhuurden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingehuurd
jijhad ingehuurd
hijhad ingehuurd
wijhadden ingehuurd
julliehadden ingehuurd
zijhadden ingehuurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inhuren
jijzult inhuren
hijzal inhuren
wijzullen inhuren
julliezullen inhuren
zijzullen inhuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingehuurd hebben
jijzult ingehuurd hebben
hijzal ingehuurd hebben
wijzullen ingehuurd hebben
julliezullen ingehuurd hebben
zijzullen ingehuurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inhuren
jijzou inhuren
hijzou inhuren
wijzouden inhuren
julliezouden inhuren
zijzouden inhuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingehuurd hebben
jijzou ingehuurd hebben
hijzou ingehuurd hebben
wijzouden ingehuurd hebben
julliezouden ingehuurd hebben
zijzouden ingehuurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhuur in

Verbs similar to 'inhuren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From in + huren.

Additional Information