ijsberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ijsberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ijsberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ijsberend
Past participle - Verleden deelwoord: geijsbeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikijsbeer
jijijsbeert
hijijsbeert
wijijsberen
jullieijsberen
zijijsberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geijsbeerd
jijhebt geijsbeerd
hijheeft geijsbeerd
wijhebben geijsbeerd
julliehebben geijsbeerd
zijhebben geijsbeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikijsbeerde
jijijsbeerde
hijijsbeerde
wijijsbeerden
jullieijsbeerden
zijijsbeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geijsbeerd
jijhad geijsbeerd
hijhad geijsbeerd
wijhadden geijsbeerd
julliehadden geijsbeerd
zijhadden geijsbeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ijsberen
jijzult ijsberen
hijzal ijsberen
wijzullen ijsberen
julliezullen ijsberen
zijzullen ijsberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geijsbeerd hebben
jijzult geijsbeerd hebben
hijzal geijsbeerd hebben
wijzullen geijsbeerd hebben
julliezullen geijsbeerd hebben
zijzullen geijsbeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ijsberen
jijzou ijsberen
hijzou ijsberen
wijzouden ijsberen
julliezouden ijsberen
zijzouden ijsberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geijsbeerd hebben
jijzou geijsbeerd hebben
hijzou geijsbeerd hebben
wijzouden geijsbeerd hebben
julliezouden geijsbeerd hebben
zijzouden geijsbeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijijsbeer

Translations

  • pace, to walk to and fro
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Een schildwacht ijsbeerde vlak in de buurt, de vonk van zijn verboden sigaret gloeide af en toe op in het donker. (A sentry paced to and fro nearby, the spark of his prohibited cigarette sometimes lighted up in the dark.) [1999 Jan, Marjorie de Hartog, De vlucht, page 73:]

    Etymology

    From ijsbeer (“polar bear”) + -en, from the behavior of polar bears in zoos.

    Additional Information