humaniseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of humaniseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: humaniseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: humaniserend
Past participle - Verleden deelwoord: gehumaniseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhumaniseer
jijhumaniseert
hijhumaniseert
wijhumaniseren
julliehumaniseren
zijhumaniseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehumaniseerd
jijhebt gehumaniseerd
hijheeft gehumaniseerd
wijhebben gehumaniseerd
julliehebben gehumaniseerd
zijhebben gehumaniseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhumaniseerde
jijhumaniseerde
hijhumaniseerde
wijhumaniseerden
julliehumaniseerden
zijhumaniseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehumaniseerd
jijhad gehumaniseerd
hijhad gehumaniseerd
wijhadden gehumaniseerd
julliehadden gehumaniseerd
zijhadden gehumaniseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal humaniseren
jijzult humaniseren
hijzal humaniseren
wijzullen humaniseren
julliezullen humaniseren
zijzullen humaniseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehumaniseerd hebben
jijzult gehumaniseerd hebben
hijzal gehumaniseerd hebben
wijzullen gehumaniseerd hebben
julliezullen gehumaniseerd hebben
zijzullen gehumaniseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou humaniseren
jijzou humaniseren
hijzou humaniseren
wijzouden humaniseren
julliezouden humaniseren
zijzouden humaniseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehumaniseerd hebben
jijzou gehumaniseerd hebben
hijzou gehumaniseerd hebben
wijzouden gehumaniseerd hebben
julliezouden gehumaniseerd hebben
zijzouden gehumaniseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhumaniseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information