hikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hikken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hikkend
Past participle - Verleden deelwoord: gehikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhik
jijhikt
hijhikt
wijhikken
julliehikken
zijhikken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehikt
jijhebt gehikt
hijheeft gehikt
wijhebben gehikt
julliehebben gehikt
zijhebben gehikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhikte
jijhikte
hijhikte
wijhikten
julliehikten
zijhikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehikt
jijhad gehikt
hijhad gehikt
wijhadden gehikt
julliehadden gehikt
zijhadden gehikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hikken
jijzult hikken
hijzal hikken
wijzullen hikken
julliezullen hikken
zijzullen hikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehikt hebben
jijzult gehikt hebben
hijzal gehikt hebben
wijzullen gehikt hebben
julliezullen gehikt hebben
zijzullen gehikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hikken
jijzou hikken
hijzou hikken
wijzouden hikken
julliezouden hikken
zijzouden hikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehikt hebben
jijzou gehikt hebben
hijzou gehikt hebben
wijzouden gehikt hebben
julliezouden gehikt hebben
zijzouden gehikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhik

Translations

  • hiccup, to hiccup
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    snikken
    huilen, schreien

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information