herverdelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of herverdelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: herverdelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: herverdelend
Past participle - Verleden deelwoord: herverdeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverdeel her
jijverdeelt her
hijverdeelt her
wijverdelen her
jullieverdelen her
zijverdelen her

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb herverdeeld
jijhebt herverdeeld
hijheeft herverdeeld
wijhebben herverdeeld
julliehebben herverdeeld
zijhebben herverdeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverdeelde her
jijverdeelde her
hijverdeelde her
wijverdeelden her
jullieverdeelden her
zijverdeelden her

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad herverdeeld
jijhad herverdeeld
hijhad herverdeeld
wijhadden herverdeeld
julliehadden herverdeeld
zijhadden herverdeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal herverdelen
jijzult herverdelen
hijzal herverdelen
wijzullen herverdelen
julliezullen herverdelen
zijzullen herverdelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal herverdeeld hebben
jijzult herverdeeld hebben
hijzal herverdeeld hebben
wijzullen herverdeeld hebben
julliezullen herverdeeld hebben
zijzullen herverdeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou herverdelen
jijzou herverdelen
hijzou herverdelen
wijzouden herverdelen
julliezouden herverdelen
zijzouden herverdelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou herverdeeld hebben
jijzou herverdeeld hebben
hijzou herverdeeld hebben
wijzouden herverdeeld hebben
julliezouden herverdeeld hebben
zijzouden herverdeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverdeel her

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From her- + verdelen.

Additional Information