heiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of heiden

The word "heiden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: heiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: heidend
Past participle - Verleden deelwoord: geheid

Cognates

See the 2 cognates of heiden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikheid
jijheidt
hijheidt
wijheiden
jullieheiden
zijheiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geheid
jijhebt geheid
hijheeft geheid
wijhebben geheid
julliehebben geheid
zijhebben geheid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikheidde
jijheidde
hijheidde
wijheidden
jullieheidden
zijheidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geheid
jijhad geheid
hijhad geheid
wijhadden geheid
julliehadden geheid
zijhadden geheid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal heiden
jijzult heiden
hijzal heiden
wijzullen heiden
julliezullen heiden
zijzullen heiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geheid hebben
jijzult geheid hebben
hijzal geheid hebben
wijzullen geheid hebben
julliezullen geheid hebben
zijzullen geheid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou heiden
jijzou heiden
hijzou heiden
wijzouden heiden
julliezouden heiden
zijzouden heiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geheid hebben
jijzou geheid hebben
hijzou geheid hebben
wijzouden geheid hebben
julliezouden geheid hebben
zijzouden geheid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijheid

Verbs similar to 'heiden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "heiden"

English hoyden.

Additional Information