Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: hanteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hanterend
Past participle - Verleden deelwoord: gehanteerd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | hanteer |
| jij | hanteert |
| hij | hanteert |
| wij | hanteren |
| jullie | hanteren |
| zij | hanteren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gehanteerd |
| jij | hebt gehanteerd |
| hij | heeft gehanteerd |
| wij | hebben gehanteerd |
| jullie | hebben gehanteerd |
| zij | hebben gehanteerd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | hanteerde |
| jij | hanteerde |
| hij | hanteerde |
| wij | hanteerden |
| jullie | hanteerden |
| zij | hanteerden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gehanteerd |
| jij | had gehanteerd |
| hij | had gehanteerd |
| wij | hadden gehanteerd |
| jullie | hadden gehanteerd |
| zij | hadden gehanteerd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal hanteren |
| jij | zult hanteren |
| hij | zal hanteren |
| wij | zullen hanteren |
| jullie | zullen hanteren |
| zij | zullen hanteren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gehanteerd hebben |
| jij | zult gehanteerd hebben |
| hij | zal gehanteerd hebben |
| wij | zullen gehanteerd hebben |
| jullie | zullen gehanteerd hebben |
| zij | zullen gehanteerd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou hanteren |
| jij | zou hanteren |
| hij | zou hanteren |
| wij | zouden hanteren |
| jullie | zouden hanteren |
| zij | zouden hanteren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gehanteerd hebben |
| jij | zou gehanteerd hebben |
| hij | zou gehanteerd hebben |
| wij | zouden gehanteerd hebben |
| jullie | zouden gehanteerd hebben |
| zij | zouden gehanteerd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'hanteren'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'hanteren'
chanteren,
lanteren,
aanberen,
aanleren,
aanmeren,
aantelen,
acteren,
ankeren,
banjeren,
canderen,
Translations
handle, manage with the hands
handle, to use the hands
wield, to handle or use a weapon
Sample Sentences
-
[...] (een Engelsche slaaf even als ik ), midden in de boot eene hut of roef te bouwen, even als van een tentjagtje, van achteren met een stuurstoel en van voren plaats voor een paar man, om de zeilen te hanteren. Deze boot voerde een latijn- of driehoekig zeil, en de giek liep over de tent, waarin hij met een paar slaven zitten en slapen kon, en een tafel had om aan te eten en eenige kastjes, om eenige [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] de rede de grondslag der wiskunde is, en dat iedereen, die gezond over berekeningen en evenredigheden kan oordeelen, alle werktuigelijke kunsten begrijpen en leeren kan. Ik had nimmer gereedschap gehanteerd, maar ten laatste vond ik, dat mij niets ontbrak of ik had het kunnen maken, vooral, als ik gereedschap had gehad. Zonder gereedschap vervaardigde ik echter ook nog veel, en sommige dingen met geen [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] noodig had. De hitte van het klimaat echter deed mij denken, dat als ik slechts goede klei vond, ik wel eene pot daarvan zou kunnen vormen, die in de zon gedroogd, hard en sterk genoeg zou zijn om gehanteerd te worden en drooge goederen in te bewaren. Ik had die noodig voor koorn, vleesch, enz. Ik besloot dus potten te maken, zoo groot als ik kon, en alleen geschikt om iets in te bewaren.
(Robinson Crusoe)
-
[...] vergat ik het geld niet, waarvan ik vroeger gesproken heb, en dat zoo lang stil had gelegen, dat het roestig of zwart geworden was, en naauwelijks voor zilver kon doorgaan, voor het wat gewreven en gehanteerd was geworden, alsook het geld, dat ik op het Spaansche wrak had gevonden. Aldus verliet ik het eiland, gelijk ik op het scheepsjournaal zag, den 19 December 1686, nadat ik er achtentwintig jaren, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch hanteren, hantieren, from Old French hanter, via Old Norse (or possibly Old English) from Proto-Germanic *haimatjaną. See: Proto-Germanic '
*haimatjaną'.
Verbs referencing "hanteren"
English
haunt.
Additional Information