handwerken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of handwerken

The word "handwerken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: handwerken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: handwerkend
Past participle - Verleden deelwoord: gehandwerkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhandwerk
jijhandwerkt
hijhandwerkt
wijhandwerken
julliehandwerken
zijhandwerken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehandwerkt
jijhebt gehandwerkt
hijheeft gehandwerkt
wijhebben gehandwerkt
julliehebben gehandwerkt
zijhebben gehandwerkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhandwerkte
jijhandwerkte
hijhandwerkte
wijhandwerkten
julliehandwerkten
zijhandwerkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehandwerkt
jijhad gehandwerkt
hijhad gehandwerkt
wijhadden gehandwerkt
julliehadden gehandwerkt
zijhadden gehandwerkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal handwerken
jijzult handwerken
hijzal handwerken
wijzullen handwerken
julliezullen handwerken
zijzullen handwerken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehandwerkt hebben
jijzult gehandwerkt hebben
hijzal gehandwerkt hebben
wijzullen gehandwerkt hebben
julliezullen gehandwerkt hebben
zijzullen gehandwerkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou handwerken
jijzou handwerken
hijzou handwerken
wijzouden handwerken
julliezouden handwerken
zijzouden handwerken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehandwerkt hebben
jijzou gehandwerkt hebben
hijzou gehandwerkt hebben
wijzouden gehandwerkt hebben
julliezouden gehandwerkt hebben
zijzouden gehandwerkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhandwerk

Verbs similar to 'handwerken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From handwerk + -en.

Additional Information