hacken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hacken

The word "hacken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hacken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hackend
Past participle - Verleden deelwoord: gehackt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhack
jijhackt
hijhackt
wijhacken
julliehacken
zijhacken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehackt
jijhebt gehackt
hijheeft gehackt
wijhebben gehackt
julliehebben gehackt
zijhebben gehackt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhackte
jijhackte
hijhackte
wijhackten
julliehackten
zijhackten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehackt
jijhad gehackt
hijhad gehackt
wijhadden gehackt
julliehadden gehackt
zijhadden gehackt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hacken
jijzult hacken
hijzal hacken
wijzullen hacken
julliezullen hacken
zijzullen hacken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehackt hebben
jijzult gehackt hebben
hijzal gehackt hebben
wijzullen gehackt hebben
julliezullen gehackt hebben
zijzullen gehackt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hacken
jijzou hacken
hijzou hacken
wijzouden hacken
julliezouden hacken
zijzouden hacken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehackt hebben
jijzou gehackt hebben
hijzou gehackt hebben
wijzouden gehackt hebben
julliezouden gehackt hebben
zijzouden gehackt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhack

Verbs similar to 'hacken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English hack. See: English 'hack'.

Additional Information